Eind twintigers – begin dertigers hebben een heilige schrik van een vast stramien, zo las ik een paar weken/maanden terug in DSM. Ik durf dat ten stelligste spijtig en dom te vinden. Denken dat je door geen keuzes te maken alle opties open laat, is namelijk dom. Het is niet alleen dom, het is ook gewoon zelfbedrog. De echte vrijheid ligt ‘m in het keuzes maken, positieve keuzes weliswaar, en daar dan voluit voor gaan. Ik kies voor deze man, voor dit gezin, voor dit huis, voor deze job, voor deze studie. En in mijn hoofd is er nog oneindig veel plaats. In mijn hart ook.

Al die tijd dat ik nog zoekende was, in de eerste plaats naar een goed lief, was er in mijn hoofd veel minder plaats. Want ik was alleen maar bezig met dat: een goed lief zoeken. Zolang ik geen kinderen had, was er in mijn hart en in mijn buik alleen maar plaats voor dat verlangen: ik wil kinderen. Nu ik mijn gezinnetje heb, datgene waarvan al die dertigers vrezen dat het je vastbindt aan huis en haard, heb ik meer vrijheid dan ooit tevoren. Het klinkt als een contradictie maar het is het echt niet. Het is alsof mijn gezin, mijn huis, mijn job de haven zijn, en ik met mijn zeilbootje zo lang en zo ver kan varen als ik wil. Maar altijd kan ik terug. Naar mijn veilige haven. Dat creëert een enorme rust in mijn hoofd. Vrijheid dus.