Eén van mijn scherpste jeugdherinneringen is die eerste keer dat ik echt werd meegezogen in een boek. Voor wie het weten wil, het was “De tranen knallen uit mijn kop”, van Guus Kuijer.

Ik zat achterin onze 2PK, mijn papa reed. We waren samen naar vrienden van hem geweest, die in Gent woonden, in een soort “tuingang”, ik weet niet goed hoe ik het moet omschrijven, er zal wel een naam voor zijn, in elk geval, je gaat binnen en dan kom je uit in een grote gemeenschappelijke tuin waar alle arbeidershuisjes op uitkomen. Ik vond het daar geweldig spannend en boeiend, zo anders dan ons eigen saaie rijtjeshuis dat gewoon op straat uitkwam. En ik had daar een boterham gekregen met pure suiker op, en anders niets! Thuis zou dat ondenkbaar geweest zijn. Mijn mama krijgt waarschijnlijk nog steeds een halve hartaanval als ze dit leest, maar goed.
We reden dus terug naar huis, naar Leuven. En mijn papa had een grote kartonnen doos met boeken op de achterbank staan. (Dat is nu trouwens nog steeds zo, mijn papa zonder boeken die hij net heeft gekocht of wil verkopen, dat is simpelweg onvoorstelbaar). Eén van die boeken was het boek van Jonathan, dus. En ik begon te lezen. En ik ben niet meer gestopt. De wereld om me heen had mogen vergaan, ik zou het nog niet gemerkt hebben. Want ik was totaal wèg. Van Jonathan en zijn avonturen. Nu ik er zo over nadenk, is Jonathan waarschijnlijk ook de eerste jongen waar ik verliefd ben op geworden.

Sindsdien heb ik het dus zitten. Leeskoorts.