You are currently browsing the monthly archive for oktober 2005.

Velen onder u zullen mij nu definitief gekverklaren – voor zover dat niet al gebeurd was, uiteraard – maar ik ben verslingerd aan studeren. Echt. Ik ken veel mensen die alleen met diep berouw en spijt terugdenken aan hun schoolgaande jeugdjaren. Maar ik heb me eigenlijk supergoed geamuseerd in dat HHH. (Wie van Leuven is, behoeft geen verdere uitleg, voor de anderen: Heilig-Hartinstituut Heverlee.) Natuurlijk heb ik me er ook bijwijlen doodgeërgerd aan saaie en/of ronduit domme leerkrachten. Maar die waren daar toch veruit in de minderheid. De meesten hadden iets te vertellen. En deden dat nog op een inspirerende, enthousiaste manier ook. Ik heb er toch een paar dingen geleerd. En er zelfs een paar liefdes opgelopen: geschiedenis, literatuur, poëzie, – de blogkijkcijfers duiken al naar beneden – filosofie…
Anderzijds moet je bij mij nooit meer afkomen met chemie, fysica en bewijzen uit het ongerijmde. Ik zie er gewoon het nut niet van in, voor mezelf. Ik heb hier in huis iemand rondlopen die dol is op berekeningen maken en die er zelfs zijn job van heeft gemaakt, dus het kan verkeren. Zijn enthousiasme over alles wat met wiskunde en wetenschappen te maken heeft, is mij vreemd, maar doet mij wel inzien dat het aan mij ligt: ik heb er gewoon het talent niet voor. Enige tijd geleden heeft mijn baas geprobeerd om mij de beginselen van het programmeren bij te brengen: zonder enig succes. Ik zàg het gewoon niet. Terwijl ik ook wel aanvoelde dat het zo klaar als pompwater moest zijn, zo simpel als bonjour. Maar er verscheen geen brandend lampje boven mijn hoofd.
Dus leg ik mij toe op waar ik wel interesse en (hopelijk) talent voor heb. Sinds september ga ik terug naar school. Héérlijk vind ik het. Iemand die voor me staat, die duidelijk heel veel over zijn vak afweet en gelezen heeft, en die mij uitdaagt om na te denken. Oh wat worden mijn grijze celletjes graag uitgedaagd om na te denken. In dit geval over ontwikkelingspsychologie, over pedagogiek, over sociologie, over filosofie… Ja ik ben een softie, maar dit is echt mijn ding. Ik kan daar echt een boost door krijgen. Het gevoel hebben dat mijn denkkader verruimd wordt, het gevoel hebben dat ik leef, quoi! Leve de schoolbanken!
*babsie wordt stilletjes afgevoerd voor het te erg wordt*

is hoe smerig mijn muis-scroll-wieltje was geworden.
‘t is gekuist, nu. althans, voor zover ik eraan en -tussen kon.

Hmmm, onze sunnymoon heeft dan toch ook haar dwaling ingezien. Nazomers zijn fun!
Deze ochtend ben ik, volledig muts- want- en sjaalloos, gezwind van onze berg neergedaald en met fikse tred ben ik downtown the city ingewandeld. Drie kwartiertjes will do the job!
Met zo’n weertje zou ik nog overwegen om de metro altijd links te laten liggen.
Lekker ontspannen en uitgewaaid op m’n bureau toegekomen.
En een bijkomend voordeel – althans dat zal mijn ventje zeker vinden – is dat op dat uur alle winkels in de Dansaertstraat nog gesloten zijn. Behalve de Pain Quotidien, maar die ben ik puur op karakter voorbijgelopen. Yes! Dat verdient een beloning, vind ik zo. Een stuk pure chocola met hele noten van Côte d’Or?

Mijn schoonzusje heeft dat goed gedaan: we hebben er een nichtje bij!
Een dikke proficiat.
Heeerrluk is het, om tante te worden. Of om te zien dat er om me heen overal bolle buikjes verschijnen bij vriendinnekes.
Maar zelf hou ik het voor bekeken. De slapeloze nachten, de borstvoeding, de pampers, …
I’ve been there, ik vond het toen geweldig, ik heb er enorm van genoten, maar nu laat ik het met graagte over aan anderen.
Dus, broers, schoonzusjes, ga uw gang, want tante (of meter!) worden wil ik nog véél!
En aan al mijn vriendjes en vriendinnekes: ga en vermenigvuldigt u!
Maar ten huize babsie zijn we er bijna vanaf, van de dozen pampers, en dat zal dan voorgoed zijn.
Op naar de peuterschool en alles wat ermee samenhangt: scheldwoorden die ze van de vriendjes hebben geleerd, snotneuzen, boekentasjes met platte bananen in, kapotte knieën, herfstbladeren in het telefoonboek…

Lilith heeft het op haar onovertroffen wijze over haar status als Afrikaans sekssymbool.
Zéér herkenbaar.
Vermits ik mijn jeugd heb doorgebracht in het brave en toen nog vrij kleurloze provinciestadje Leuven, was ik mij tot ver in mijn tienerjaren niet bewust van dit effect. Leuvense jongens durven namelijk zelfs nog niet opkijken als er een flamboyante madame passeert die goed voorzien is van poten en oren.
Nu nog steeds niet, trouwens. Als ik in Leuven van de trein stap, is het altijd even wennen. Niemand die ook maar een blijk geeft van het feit dat ik niet onzichtbaar ben. Zeker als je zoals ik in Brussel woont en werkt en daar bijna voortdurend wordt aangekeken of -gesproken. Nu is het politiek correct om als vrouw te zeggen dat je dat niet kunt appreciëren en blablabla. Maar om heel eerlijk te zijn, ik loop liever rond in Brussel dan in Leuven. Wat is er mis met het spelletje van kijken en bekeken worden? Ik beken – en misschien krijg ik nu de halve wereldbevolking over me heen, maar soit – ik geniet daarvan.
Ik was zestien toen mijn ouders mij en mijn vriendin L. meenamen naar Andalusië. (Ja, weeral die Moorse sfeer, misschien zitten in die reis wel mijn duizendenéénnachtroots.) Wij liepen daar nietsvermoedend rond in Sevilla, te genieten van de zalige appelsienenbomengeur, tot het begon, en niet meer is gestopt: “Guapa, guapa!” Uiteraard wisten we eerst nog niet eens wat dat betekende. In alle landen rond de Middellandse Zee is het prijs.
In Marrakech was het zelfs voor mij van het goede teveel, dat moet ik ook wel toegeven. Maar gelukkig reis ik nu enkel nog met een goed van poten en oren voorziene man de wereld rond, en als ze zijn brede schouders achter me zien opdoemen, is het meteen véél minder.

Mijn omaatje is stokoud. Ze leeft in een realiteit die niet de onze is. Toen ze ons zag, begon ze plots Frans te spreken, alhoewel we altijd (West-) Vlaams gesproken hebben met elkaar. Mijn opa spreekt haar dan streng toe, maar ik heb zelf niet zo de behoefte om haar te proberen in onze realiteit te dwingen. De hare is misschien wel veel boeiender. Laat haar maar zijn. Ze ziet er niet ongelukkig uit. Ook niet angstig of verward. Eerder dromerig. Je kan haar niet bereiken, ze kijkt je nooit aan. Ze antwoordt niet op je vragen. Ze reageert wel als je haar aanspreekt, maar dan met iets uit haar eigen wereld.
We hadden taart mee. Zelf eet ze niets meer uit eigen beweging, dus ging ik naast haar zitten en bracht de vork tot aan haar mond. Stukje per stukje. Ik voelde me daar heel gemakkelijk bij, al had ik dat niet gedacht. Maar ‘t is tenslotte mijn omaatje. Ook onze kindjes, haar achterkleinkindjes, vonden helemaal niets vreemds aan hun overoma. Die gingen heel ongedwongen met haar om, zij gaf haar poppemieke aan oma en hij toonde al zijn diertjes met de bijbehorende geluiden. Dat oma niet echt reageerde, deerde hen eigenlijk niet. Mooi eigenlijk, dat zo’n peuters nog niet alles indelen in normaal/niet normaal. Ontroerend.

Het leuke aan de zee is, dat je daar zoveel lucht ziet. Ik bedoel, dat je zo’n groot deel van het hemelgewelf kan aanschouwen. Veel blauw (of grijs). Op de één of andere vreemde manier heb ik dat nodig.
Hier op m’n bureau ben ik gelukkig gezegend met grote vensters die uitkijken op véél lucht. Vroeger stond ik in de leeszaal, en van achter de balie is het onmogelijk om een stukje lucht te spotten. Dat gaf mij echt een benauwd gevoel, zelfs zo’n beetje claustrofoob, al is onze leeszaal best wel gigantisch. Ik moet kunnen zien of de zon schijnt, en ik heb ook vooral veel licht nodig. Stop mij ergens in een magazijn zonder vensters en ik ga langzaam dood. En geloof mij, die magazijnen bestaan.
Ook bij het zoeken naar ons huis was dat voor mij de eerste vereiste: kan ik veel lucht zien vanuit mijn zetel. Gelukkig keek mijn lief dan naar andere belangrijke zaken zoals het dak enzo, en of er geen water in de kelder stond. Ons vorige appartement was op de eerste verdieping: luchtzicht nul. Dat wil ik dus nooit meer. Zelfs als het grijs is en regent dat het giet – zoals nu – komt er nog altijd meer licht binnen van buiten dan van de tl-buizen boven mijn hoofd.
En aan de zee heb je dus superveel lucht. Of nog beter: op de zee. Gisteren was het best wel zeilig weer, met als gevolg: véél witte driehoekjes op het water. Mens, waren wij even jaloers.
Maar eens komt de dag dat de kindjes groot genoeg zijn, en dan zal u allen van geluk mogen spreken als u ons nog eens op het droge treft…

Eén van mijn scherpste jeugdherinneringen is die eerste keer dat ik echt werd meegezogen in een boek. Voor wie het weten wil, het was “De tranen knallen uit mijn kop”, van Guus Kuijer.

Ik zat achterin onze 2PK, mijn papa reed. We waren samen naar vrienden van hem geweest, die in Gent woonden, in een soort “tuingang”, ik weet niet goed hoe ik het moet omschrijven, er zal wel een naam voor zijn, in elk geval, je gaat binnen en dan kom je uit in een grote gemeenschappelijke tuin waar alle arbeidershuisjes op uitkomen. Ik vond het daar geweldig spannend en boeiend, zo anders dan ons eigen saaie rijtjeshuis dat gewoon op straat uitkwam. En ik had daar een boterham gekregen met pure suiker op, en anders niets! Thuis zou dat ondenkbaar geweest zijn. Mijn mama krijgt waarschijnlijk nog steeds een halve hartaanval als ze dit leest, maar goed.
We reden dus terug naar huis, naar Leuven. En mijn papa had een grote kartonnen doos met boeken op de achterbank staan. (Dat is nu trouwens nog steeds zo, mijn papa zonder boeken die hij net heeft gekocht of wil verkopen, dat is simpelweg onvoorstelbaar). Eén van die boeken was het boek van Jonathan, dus. En ik begon te lezen. En ik ben niet meer gestopt. De wereld om me heen had mogen vergaan, ik zou het nog niet gemerkt hebben. Want ik was totaal wèg. Van Jonathan en zijn avonturen. Nu ik er zo over nadenk, is Jonathan waarschijnlijk ook de eerste jongen waar ik verliefd ben op geworden.

Sindsdien heb ik het dus zitten. Leeskoorts.

Ik gleed daarnet uit op de trappen van onze bib
mijn lief heeft keelpijn
ik ben moe
het regent dat het giet
en we vertrekken straks naar de zee.

Zou het dan toch iets te maken hebben met
dat oktobergevoel?

Maar…
mijn papa ziet weer door z’n beide ogen
ik kan elk moment (terug) tante worden
met mijn beste vriendin gaat het prima,
na een moeilijke tijd,
en we vertrekken straks naar de zee!

Wandelend in het park

A. (2 jaar) : Ik denk dat de tram gaan slapen is.
L. (2 jaar) : Nee! De tram is nog wakker!

Ik : Waar is papa?
L. : Papa werken!
A. : Papa is op de ladder!

A. : Poesje? Waar ben je?
L. : Poesje slaapt in de stal.